|
|
IJzerwinning, de theorie |
Dit is
het eerste deel van een vierdelige serie
over het winnen van ijzer in Nederland
van voor de komst van de Romeinen in
Nederland (Gegevens over mogelijke ijzerwinning
in de Kempen voor de komst van de Romeinse
industrie). Deze uiteenzetting tekst
kent zijn oorsprong in 1992, toen een
eerste versie werd geschreven voor het
(toen nog) Prehistorisch Huis Eindhoven,
tegenwoordig het Historisch OpenluchtMuseum
Eindhoven. Zie ook:
Deel
1 - IJzerwinning, het voorwoord
Deel
3 - IJzerwinning, de praktijk
deel
4 - IJzerwinning, de experimenten |
| De
verspreiding van ijzerverwerking technieken |
| Het
eerste gebruik van ijzer en daarmee de
ontdekking van het ijzerwinproces is terug
te voeren tot eeuwen voor het begin van
onze ijzertijd, in Klein-Azië. Daar
verzamelden de bergvolkeren al eeuwenlang
metalen en gesteenten, mooi van kleur
en variatie. Naast de bestemmingen die
ze er al voor gevonden hadden, onder andere
als sieraad of kleurstof, bleef men er
mee experimenteren. Door op de stenen
te slaan, ze te verwarmen en dan weer
snel af te koelen om ze te doen splijten
merkte men dat bepaalde van deze harde
gesteenten in het haardvuur taai en bewerkbaar
werden en dat ze van kleur veranderden.
Geleidelijk aan voerde men de temperatuur
op en merkte men dat ze smolten en gegoten
konden worden. |
| Dat
verhitting tot schitterende resultaten
leidde, bracht mee dat er steeds meer
interesse kwam in het willen behalen van
steeds hogere temperaturen. Waar je met
een gewoon open vuur 650º Celsius
haalt, en pottenbakkers in hun ovens 1100º
Celsius, zochten de steenbewerkers naar
nog hogere temperaturen. Zo werd koper
gewonnen en gebruikt. Deze nieuwe ontdekkingen
leidden tot een groeiende productie van
sieraden, wapens en werktuigen die later
verbeterd werd toen men sterke legeringen
ontdekte, zoals brons, dat een mengsel
is van (arseen)koper en tin. Het leidde
ook tot intensievere mijnbouw en al gauw
tot uitputting van gemakkelijk te bereiken
ertsaders. Van steeds verder werd brons
en tin gehaald: de metalen voorwerpen
werden duur betaald! De kennis over metaalbewerking
bereikte Europa tot in Zuid-Engeland en
Spanje toe. |
In de hitte van de koper- en bronsoven merkte men
al gauw dat er ook andere ertsen aanwezig
waren waarmee men op deze hoge tempraturen
kon werken, zoals het taaie en bewerkbare
ijzer. De techniek van ijzerbewerking
is echter totaal anders dan die van
koper of brons. De “oudere”
metalen als brons en koper werden gegoten
en waren makkelijk hanteerbaar.
Zolang er voldoende koper, goud, zilver,
tin voorhanden was, bleef ijzer waarschijnlijk
een bijproduct, zwak van kwaliteit en
het roestte weg na enige tijd. Nu had
ijzer één groot voordeel;
de grondstof was overal in grote hoeveelheden
te vinden.
De Hittieten heeft de eer gekregen het
eerst volop met ijzer te hebben gewerkt.
|
| Aangezien
het gaat om kennis van een ingewikkeld
proces bestaande uit vele handelingen,
die een ontzettende ervaring vereisen,
neemt men aan dat deze kennis in het bezit
bleef van enkelen, die er veel voor over
hadden om dat 'geheim van de smid' te
bewaren. Leerlingen zullen vaak eigen
familieleden zijn geweest die jarenlang
in de leer moesten gaan om zo goed mogelijk
het vuur te leren beheersen, ovens te
bouwen en het smeedijzer op vaardige wijze
tot bruikbare voorwerpen te smeden. Jarenlange
scholing is van wezenlijk belang voor
het maken van stevige zwaarden, messen,
nagels, bijlen en sikkels. De Hittieten
zijn er in geslaagd een imperium uit te
bouwen op hun kennis van ijzer. Toen rond
1200 vóór Christus het rijk
van de Hittieten uit elkaar viel verspreidde
de kennis van het ijzer winnen zich over
heel Klein-Azië en deels daarbuiten.
Smeden reisden op uitnodiging van vorsten,
of op eigen initiatief, |
|
naar
waar ijzererts en hout veelvuldig voorradig
was. Voor de boerenbevolking van Europa
en omgeving, ruim 1.000 vóór
Christus, moet ijzer een grote aantrekkingskracht
hebben gehad, misschien wel meer dan voor
de rondtrekkende herdersvolkeren daarbuiten.
IJzer vormde een duur, maar zeer doelmatig
alternatief voor wat men tot dan toe gebruikte
voor de landbouw, de constructie van huizen
en schepen en gevechten tussen kleine
groepen. |
| De
techniek verspreidde zich ook naar West-Europa,
over twee grote traditionele invalswegen: |
| 1 |
De importweg over de Zwarte Zee naar het
Donaugebied (9e eeuw vóór Christus) naar het
Noordelijke Alpengebied (8e eeuw) en van
daaruit via de Rijn naar de Lage Landen,
de Britse Eilanden en Scandinavië
(7e eeuw). We mogen veronderstellen dat
langs deze weg vooral smeden zijn getrokken,
die uit eigen beweging een nieuwe toekomst
hebben gezocht in de buurt van landbouwvolkeren
die gretig hun producten afnamen. Met
name de Kelten staan bekend om het hoge
niveau van hun kennis van metaalbewerking. |
| 2 |
De zeeweg via Griekenland (10e eeuw vóór
Christus), Italië (8e eeuw), Spanje
en Zuid Frankrijk (7e eeuw), Portugal
en Engeland (6e eeuw). De verspreiding
van de kennis van het bewerken van ijzer
wordt hier vooral gezien als het resultaat
van de handelstochten van de Phoeniciërs,
een Klein-Aziatisch volk dat bij de Hittieten
woonde en de smeden wellicht heeft meegenomen
naar de steden die ze hebben opgericht
in het Mediterrane gebied. IJzer was voor
hen belangrijk als exportproduct, grondstof
voor wapens en scheepsbouw. |
| De
smid in de Kempen |
| In
de ijzertijd was de Brabantse Kempen een
arm gebied, de boeren die hier leefden
zullen waarschijnlijk geen goederen gehad
hebben om te ruilen en op die manier in
bezit van ijzeren voorwerpen te komen.
Pas in de late ijzertijd kregen ze de
kennis die nodig is voor het zelf winnen
en verwerken van ijzer. |
| Bij
opgravingen vindt men zelden ijzeren voorwerpen
omdat ze meestal voortijdig zijn weggeroest.
Als men dan toch in onze regio ijzeren
voorwerpen vindt, kan men moeilijk uitmaken
of het gaat om een importproduct of het
resultaat van lokale ambacht zijn. Het
is moeilijk na te gaan wanneer de verscheidene
volkeren van de Benelux overgegaan zijn
van ijzeraankoop op ijzerwinning. Het
oudste bekende voorwerp in Nederland is
een ijzeren pennetje, gevonden op een
houten pad het veen in, in Bargeroosterveld
in Drenthe, gedateerd in de Midden-Bronstijd
(omstreeks 1500 vóór Christus).
Het is niet “echt” ijzer,
eerder is het verkregen uit het smeden
van een stukje gesmolten ijzeroer bij
een lage temperatuur (zo’n 700°
Celsius). Het is waarschijnlijk gebruikt
om brons mee te graveren. |
We
kennen in Brabant tijdens de vroege ijzertijd
zogenaamde 'vorstengraven' die rijk voorzien
zijn van bronzen en ijzeren voorwerpen
als dure emmers, zwaarden, sieraden en
paardentuig, maar dit is nog geen bewijs
van lokale productie. Integendeel, ze
verwijzen in hun versieringen en productiemethoden
naar Zuid-Duitsland en zelfs naar het
Etruskisch gebied van Noord Italië.
Een gangbare uitleg van het waarom van
deze graven is dat het hier ging om plaatselijke
edellieden, die hun status onderstreepten
met erg dure buitenlandse goederen.
In de Kempen is de ijzerwinning wellicht
pas in de latere ijzertijd op gang gekomen,
de zogenaamde La Tène periode (450-50
vóór Christus). Aangezien
de techniek uit die periode nauwelijks
verschillend is van deze uit de latere
Romeinse, Karolingische en zelfs laatmiddeleeuwse
periode, kunnen de vondsten pas goed gedateerd
worden als ze in context gevonden worden
met voorwerpen die tijdsgebonden zijn.
Het zijn Kelten geweest die in de streken
ten zuiden en oosten van de Kempen hebben
gewoond en meesters in metaalbewerking
waren. Of wij de bewoners van de Kempen
in de ijzertijd ook Kelten kunnen noemen
is onduidelijk. Er zijn wel sporen van
ijzerwinning bekend. |
| Technische
achtergrond |
| Het
ijzer winnen telt grofweg gezegd een drietal
stappen: |
| 1 |
Het bouwen van de oven. |
| 2 |
Het stoken van de oven en het produceren
van een ijzerhoudende massa, loupe of
wolf genoemd. |
| 3 |
Het
verwerken van de wolf. |
| De
eerste en laatste stap zullen besproken
worden in het praktische gedeelte, later.
Nu zal met name het proces dat zich afspeelt
tijdens de tweede stap besproken worden. |
Reduceren
in de oven
Tijdens het stoken van de oven, het daadwerkelijke
winnen van ijzer wordt de temperatuur
in de oven tot bóven de 700º
Celsius gebracht. Dan begint het chemische
proces waar het om gaat; het reduceren.
Het ijzeroer bevat naast zand ook de belangrijke
verbindingen van zuurstof met ijzer (zoals
Fe2O3) die afgebroken
moeten worden. Dat gebeurt door middel
van de koolstof uit de houtskool. Deze
koolstof (C) gaat verbindingen aan met
de zuurstof uit het ijzeroer waardoor
er koolstofmonoxide (CO) en koolstofdioxide
(CO2) ontstaat. De koolstof
uit de houtskool kan alleen dergelijke
verbindingen aangaan met de zuurstof uit
het oer, als er verder géén
zuurstof in de oven beschikbaar is. Als
bij steeds grotere hitte de zuurstof uit
het ijzeroer wordt gehaald, spreekt men
van reductie. Bij de luchttoevoer, de
gaten in de wand waar de blaasbalgen op
aangesloten zijn, wordt CO gevormd dat
zich naar boven werkt langs de lagen ijzeroer.
Hieraan wordt zuurstof onttrokken om over
te gaan tot de vorming van CO2.
Het CO2 kan in de houtskoollagen
die tussen de ijzeroerlagen liggen opnieuw
koolstof onttrekken en opnieuw overgaan
tot CO. In een oven moet er voor de goede
gang van zaken meer gereduceerd worden
dan geoxideerd, dat wil zeggen dat er
meer CO2 verbindingen gemaakt
moeten worden met het zuurstofelement
uit het ijzererts dan uit de toegevoerde
zuurstof via de blaasbalg. Dit chemisch
proces is van wezenlijk belang voor het
winnen van ijzer.
Er ontstaan in het proces allerlei samenstellingen
van ijzeroxiden zoals Fe3O4,
Fe2O3 en FeO. Deze
laatste zware combinatie is in de vrije
natuur niet aanwezig. Als dit gevonden
wordt bij opgravingen, kan dit gezien
worden als het resultaat van bewuste reducerende
ijzerertsbewerking. |
| De
chemische reacties kunnen als volgt eenvoudig
samengevat worden weergegeven: |
| 2
C (s) |
+ |
O2 (g) |
—> |
2
CO (g) als reactieproduct |
| Fe2O3 (s) |
+ |
3
CO (g) |
—> |
2
Fe (s) + 3 CO2 (g) als reactieproducten |
| |
|
|
|
|
| 3
Fe2O3 |
+ |
CO |
—> |
2
Fe3O4 + CO2 |
| CO2 |
+ |
C |
—> |
2
CO |
| 2
Fe3O4 |
+ |
2
CO |
—> |
6
FeO + 2 CO2 |
| 6
FeO |
+ |
6
CO |
—> |
6
CO2 + 6 Fe |
|
|
| Fe
is metallisch ijzer, puur metaal dus. |
| Deze
chemische activiteiten zijn pas mogelijk
als de temperatuur hoog oploopt. Bij 900º
tot 1000º Celsius moet er met de
blaasbalgen extra hard gewerkt worden.
Onder in de oven is de massa houtskool
en ijzerslak witgloeiend en is het chemische
proces in volle gang. In die periode zijn
de andere elementen die in het erts zitten
in actie gekomen. Het aanwezige zand in
de ijzeroer, ook wel kiezelzuur of kwarts
(SiO2) heeft vooral bij aanwezigheid
van kalk een smeltpunt van ongeveer 1200º
Celsius. Ook de as van de houtskool smelt
bij deze temperatuur. Op de heetste plaats
in de oven, opgestookt door voortdurende
aanblazingen, smelt dus de slak. Let wel:
er is geen sprake van “ijzer smelten”
omdat het ijzer zélf niet smelt!
Het smeltpunt van ijzer zelf is 1528º
Celsius. |
| Als
men op dat moment het slakkengat opent,
kan de slak naar buiten vloeien. Dit gebeurt
als de temperatuur bij het gat hoog genoeg
is, al bij ongeveer 1250º Celsius.
Een deel van de slak verlaat de oven;
bijna de gehele wolf blijft achter, nog
niet gesmolten. IJzer komt in microscopische
kleine deeltjes bij elkaar tot pareltjes
van enkele millimeters en vormen in de
slak een taaie massa. Dit noemt men de
wolf (of: Loupe, Luppe, Saumon, Ofensau,
Stuck, Bloom). Het is smeedijzer, erg
zuiver en week, aan elkaar gekit tot een
sponsachtige massa, nog vervuild met slak
en houtskoolresten. Aangezien deze activiteit
zich voltrekt vanaf 1250º Celsius
is het behalen van hogere temperaturen
niet van wezenlijk belang. Integendeel,
het kan hooguit tot resultaat hebben dat
de oven kapot wordt gestookt. |
De
slak
De slak die tijdens het proces de oven
heeft verlaten, lijkt op stroop die hard
wordt en grillige vormen aanneemt. Het
is een glasachtige massa met talloze gaten.
Bij opgravingen worden deze slakken in
overvloed gevonden. In Nederland werden
ze in de Middeleeuwen gebruikt om wegen
mee te verharden of om gemeentelijke of
kerkelijke gebouwen mee te grondvesten.
In de Ardennen zijn ze in later eeuwen
soms opnieuw in hoogovens geworpen omdat
er nog voldoende ijzer in zat. Slak en
wolf zijn niet altijd van elkaar en van
ijzererts te onderscheiden, zeker niet
na 2000 jaar. Het soortelijk gewicht is
echter verschillend. IJzer heeft 7,8 als
soortelijk gewicht, de slak meestal 4.
De wolf is ook te onderscheiden doordat
hij taai blijft terwijl de slak bij het
hameren verpulvert. |
De
wolf
Als
men de wolf niet uit de oven kan halen
wordt de oven stukgeslagen. Er zitten
meestal nog heel wat onvoldoende gereduceerde
ijzerslakken in met een hoog FeO gehalte.
Op de minst hete plaatsen is er ook nog
gewoon niet gereduceerd ijzeroer te vinden,
Fe2O3, dat aan het
reductieproces nauwelijks heeft deelgenomen.
Toch kan men ook deze slak onderscheiden
van het oorspronkelijke ijzeroer door
de grote aanwezigheid van FeO, het kenmerk
van een ijzerslak. Ontleding van de slak
geeft in de regel 25% kiezelzuur, SiO2,
daarnaast 50% of meer FeO, zo'n 15% Fe2O3 en verder alles wat er vooraf in het oer
aanwezig was en niet vervliegt zoals kalk,
zwavel, fosfor, mangaan en uit het houtas
ook kalium en natrium. |
Als
men de onzuivere wolf uit de oven kan
halen, kan hij gloeiend worden uitgesmeed
op een aambeeld. De smid hamert zoveel
mogelijk restanten van houtskool en slak
er uit. Telkens opnieuw verhitten, hameren
en uitsmeden geeft uiteindelijk een compact
slakkenvrij brok ijzer, een baar of halffabrikaat.
De wolf heeft een koolstofgehalte van
0,006 %, dat blijkt uit diverse analyses
van onze experimenten. In een smidsvuur
gaat de koolstof uit het ijzer/staal en
niet erin.
Je smeedt de wolf uit tot platte staven,
deze vouw je dubbel en wel je aan elkaar,
dan smeedt je ze weer uit en dubbel je
ze weer. Hoe vaker je dubbelt hoe meer
slak je er uit smeedt en hoe zuiverder
het ijzer wordt. Er zit dan nog steeds
geen (0,006%) C in het ijzer en als je
het in water schrikt wordt het NIET hard.
Wil je koolstof in je ijzer, dan moet
je het in koolstofrijke omgeving gloeien
bij 700 graden zonder dat Zuurstof (O2)
bij kan, dit noem je: opkolen. Daarvoor
leg je een staaf ijzer of je reeds gesmede
voorwerp in de koolstof (houtskool poeder,
beendermeel of iets dergelijks) en daaromheen
doe je leem, dit pakketje laat je langzaam
drogen naast een houtvuur dan wederom
langzaam werk je het in de gloed, de leem
mag niet kapot springen want dan kan er
teveel zuurstof bij. De koolstof dringt
nu ieder uur 0,1 mm in het ijzer van buiten
naar binnen. Heb je een staaf van 5 mm
dik en wil je die tot in de kern opkolen
dan moet hij dus 25 uur gegloeid worden.
Zit er koolstof in het ijzer (het heet
dan staal) dan wordt het hard als je het
afschrikt in water. Maak je het heet en
laat je het langzaam (aan de lucht) afkoelen
dan is het zacht. Dit heet uitgloeien.
Bij het afschrikken wordt het staal niet
alleen hard maar (helaas) ook bros. IJzer
daar in tegen is ook als schrik je het
af zacht en taai. Heb je nu een staaf
van 5 mm dikte die maar 10 uur opgekoold
is, dan zal na het afschrikken alleen
de buitenste laag van 1 mm hard en bros
zijn, de kern van 3 mm blijft zacht en
taai. Daardoor zal de staaf minder breken.
Door ijzer en staal met elkaar te combineren
heffen ze elkaars slechte eigenschappen
op: taai tegen bros, hard tegen zacht
(buigzaam). Je kan het ook anders combineren:
je vouwt een ijzeren (geen koolstof) staaf
dubbel, daartussen leg je een volledig
tot in de kern opgekoolde staaf. Dit wel
je aan elkaar en je smeedt het uit tot
je voorwerp bijvoorbeeld een mes. Na het
harden is hier de kern hard en bros maar
de buitenkanten blijven zacht en taai,
je noemt dit een laminaat. Je kunt zo’n
pakket van drie lagen ook uitsmeden tot
een staaf en dubbelen met weer een staaf
staal ertussen: je hebt dan 7 lagen. Dit
materiaal is na het harden al een stuk
veerkrachtiger dan een laminaat van 3
lagen. Hoe meer lagen hoe meer veerkracht
-> de ultieme kling. |
|
|
|
|
|