|
|
IJzerwinning, de praktijk |
Dit is
het eerste deel van een vierdelige serie
over het winnen van ijzer in Nederland
van voor de komst van de Romeinen in
Nederland (Gegevens over mogelijke ijzerwinning
in de Kempen voor de komst van de Romeinse
industrie). Deze uiteenzetting tekst
kent zijn oorsprong in 1992, toen een
eerste versie werd geschreven voor het
(toen nog) Prehistorisch Huis Eindhoven,
tegenwoordig het Historisch OpenluchtMuseum
Eindhoven. Zie ook:
Deel
1 - IJzerwinning, het voorwoord
Deel
2 - IJzerwinning, de theorie
deel
4 - IJzerwinning, de experimenten |
Het ijzer winnen zal gedaan zijn door
een kleine groep personen rond een specialist.
Ze werken wellicht in het bos, waar voldoende
hout voorradig is. IJzerwinning en ijzerbewerking
werd grotendeels in één
hand gehouden: het gewonnen ijzer werd
zoveel mogelijk ter plekke verwerkt tot
gebruiks-voorwerpen of tot halffabrikaten
die gemakkelijk te transporteren en te
verhandelen waren.
|
| Voorbereiding |
| Het
werk kent een langdurige voorbereiding
met het maken van houtskool, het verzamelen
en bewerken van ijzeroer en het bouwen
van de ovens. Alleen al deze zaken vragen
voldoende ervaring en organisatie. |
|
Houtskoolwinning
Houtskool is de ideale brandstof bij het
winnen van smeedijzer door de grote hitte
die het oplevert en zijn reducerende werking.
Om zo’n 10 kilo smeedbaar ijzer
uit oer te kunnen winnen heeft men ruim
400 kilo houtskool nodig. Voor houtskool
kan je beter harde dan zachte hout-soorten
kiezen omdat dit minder snel verpulvert.
Archeologen vinden houtskoolresten van
beuk, berk, den, eik, els, wilg, hazelaar
en jeneverbes. |
| Overal
in Europa maakte men houtskool in grote
voorraden, niet alleen voor het ijzer
winnen, natuurlijk. Men maakte kuilen
van een paar meter doorsnede, met een
diepte van een halve meter in het midden.
Het kleinste hout werd beneden gelegd
en de vuistdikke stammen erbovenop. Als
het goed brandde werden er graszoden opgelegd
zodat het hout niet zou opbranden maar
verkolen wegens zuurstofgebrek. Zo ontstonden
kleine hopen, meilers genoemd. Na een
vol etmaal werden de meilers geopend en
de houtskool droog opgeslagen. De houtskoolbrander
en de smid zullen wellicht dezelfde persoon
geweest zijn. |
IJzeroer
of ijzererts
IJzererts bestaat in vele vormen en concentraties.
Zoals er gedegen koper bestaat, zo bestaat
er op deze aarde ook gedegen ijzer, afkomstig
van meteorietinslagen. Het is zo zuiver
dat het koud bewerkt kan worden. Het komt
helaas erg zelden voor en waar het werd
gevonden leidde het hooguit tot productie
van een sieraad. De massaproductie van
ijzer komt van ijzererts dat in onzuivere
vorm ongeveer 5% van ons aardoppervlak
vormt. We hebben het over ijzererts wanneer
het om ijzerhoudend gesteente gaat. IJzeroer
daarentegen bestaat uit samengekitte ijzerverbindingen
uit moerassen. Het ijzer is daar in het
water opgelost geweest en neergeslagen
in “banken”. Dat is dé
bron voor de Brabantse ijzerovens. Iedereen
kent in de natuur plaatsen met roestig
uitziend water of grondlagen. Men vindt
ze bij vennen of beekjes en ze wijzen
op de aanwezigheid van ijzer in de bodem. |
|
| De
zwarte laag die op sommige duinen
ligt is ijzererts, dit wordt door
een magneet aangetrokken. |
|
| Het
ijzergehalte van deze lagen is meestal
erg gering en niet voor productie bruikbaar.
Op sommige plaatsen heeft het ijzer zich
vastgezet in banken, die hierdoor lijken
op bruikbare erts, terwijl ze enkel bestaan
uit hoofdzakelijk zand. De samenstelling
van het erts of oer is afhankelijk van
de streek. |
| Naast
het ijzergehalte (Fe) bevat het
zuurstof (O) dat aan ijzer is verbonden, in combinaties als
Fe2O3 . Er
is kiezelzuur of kwarts (SiO2)
aanwezig in groten getale, fosfaten
en in de leemstreken aluminiumoxide
(Al2O3) en
kalk. |
|
| Het
soort mineralen en de concentratie ervan
in het oer is van invloed op het winproces.
Zo zorgt een te hoog kwartsgehalte ervoor
dat de smelttemperatuur van het ijzeroer
zoveel hoger wordt, dat ijzer winnen op
de gangbare manier niet meer mogelijk
is. |
| In
verschillende regio’s vindt men
het oer in verschillende vormen. Zo vindt
men in Vlaanderen en de Kempen poreuze
oerbanken. Brokken die honderden kilo's
kunnen wegen, roestbruin gekleurd zijn
en sponsachtig van structuur, meestal
in drassige beekdalen en moerassen, maar
ook in heidevennen. In Oost-Nederland,
vooral op de Veluwe vindt men klapperstenen
op de heide. Ze werden in de ijzertijd
en in de Middeleeuwen in grote hoeveelheden
gewonnen en leidden zeker in de Karolingische
tijd tot een exportindustrie naar vooral
Duitsland. In de leemgebieden van Zuid
Vlaanderen, Brabant en Zuid Limburg vindt
men limoniet of bruinijzersteen in leemlagen.
Door de aanwezigheid van leem zit er veel
aluminium in de slak. In de Ardennen en
in Luxemburg wordt erts opgedolven in
mijnen. Dit gebied was in de ijzertijd
in de Benelux het grootste industriële
centrum. Behalve ijzer, werd er in het
gebied ook goud gewonnen. |
| Voordat
het ijzeroer gebruikt kan worden, moet
het eerst gewassen, gedroogd en in kleine
brokjes ter grootte van een hazelnoot
geslagen worden. Vervolgens wordt het
geroosterd zodat zwavel, vuil en vocht
er uit brandt. Hierdoor is het oer licht
en poreus geworden. |
|
Ovens
Bij opgravingen zijn zelden complete
ovens terug gevonden. Dit kan komen
doordat ze niet diep in de grond
zijn gegraven. De gevonden ovenfragmenten
zijn te herkennen door de grote
hitte waaraan het heeft blootgestaan
en de restanten van ijzerslakken
die er soms nog aan vast gekit zitten.
De aanwezigheid van ferrooxide (roest),
in de slak is steeds het bewijs
dat we niet te maken hebben met
potoven resten of met pannenovens
uit de Romeinse tijd, maar met ijzerwinning.
We kunnen de plaats van vele van
die delen van de wand in de oorspronkelijke
oven reconstrueren. De hitte waaraan
de fragmenten hebben blootgestaan
laat sporen na, waaraan afgeleid
kan worden of de fragmenten hoog
of laag in de oven hebben gezeten.
Soms gaat het om |
randfragmenten
of restanten rond het slakkengat of het
blaasbalggat. Soms vindt men een aardewerken
tuit, die de blaasbalg moest beschermen
tegen de ovenhitte. De ovens zijn wellicht
op de grond gebouwd of hadden hooguit
enkele centimeters in de grond hun vloer. |
| Er
zijn in de ijzertijd in Noord-West Europa
verschillende types ovens bekend. De
kuiloven of komoven (bowl furnace)
is een oven, gebouwd in een ondiepe kuil.
In de kuil brengt men een laag leem aan,
daarop een laag houtskool, deze wordt
afgedekt met een laag klei (klei heeft
een hoger smeltpunt dan leem). De drie
lagen vormen een isolerende grondlaag.
Op de klei werd dan gestookt. Als men
klaar was met stoken kon men gemakkelijk
het gewonnen ijzer uit het vuur verwijderen.
Soms werd dan op de restanten een nieuwe
kleilaag gelegd en verder gestookt. Deze
techniek is moeilijk omdat men in een
vrij open vuur moeilijk hoge temperaturen
haalt. |
| De
schachtoven (shaft furnace) is
een oven waarop een schoorsteen is gebouwd,
voor de (natuurlijke) trek. De schoorsteen
is gebouwd van leem vermengd met stro
en koeien- of paardenmest. In de late
ijzertijd vindt men onder aan de oven
bovendien meestal een opening voor het
laten weglopen van de slak. Hoe hoog temperaturen
oplopen bij natuurlijke trek is ons niet
bekend. Een andere manier om te zorgen
voor de aanvoer van voldoende zuurstof
is het gebruik van blaasbalgen. Deze zijn
al heel lang bekend, zo vindt men ze al
op de oudste Egyptische wandtekeningen.
Bewijzen zijn er ook door vondsten |
| van aardewerken tuitjes die de blaasbalg
moeten beschermen. In Zuid-Denemarken
is een blaasbalg uit de ijzertijd teruggevonden.
Er zijn in Europa ook oventjes gevonden
zónder lucht-toevoergaten. Deze
moeten dan zijn aangeblazen van bovenaf.
De vraag is of je met deze techniek eenvoudig
dezelfde temperatuur kunt behalen. Deze
methode, het van bovenaf aanblazen, ziet
men echter nog steeds wel eens in Azië
en Afrika. |
|
| Het
procédé |
Het
bouwen van de oven
De ovens worden opgebouwd uit leem, die
is vaak vermengd met stro en/of zand.
Als de leem gemengd is worden er broden
van gemaakt. Allereerst wordt er op de
grond een laag leem aangebracht, hierop
wordt vervolgens een laag broden in een
cirkel neergelegd. Die onderste laag is
meteen ook de breedste, 8 tot 10 cm. In
de onderste laag wordt een opening gelaten |
|
Hierdoor kan de slak straks naar buiten
stromen. Nu kan de volgende laag aangebracht
worden, hierin worden twee smalle gaatjes
opengelaten voor de blaasbalgen. De oven
wordt naar boven toe een beetje smaller
en de muren worden ook iets dunner. Als
je met natte leem werkt moet je het eigenlijk
tussendoor laten drogen, anders zakt de
oven door z’n eigen gewicht uit
elkaar. Om het droogproces van de leem
te versnellen kan er in de oven een klein
vuurtje gestookt worden. |
Op
temperatuur brengen en stoken van de oven
Bij het winnen van ijzer, begint de smid
met het geleidelijk aan goed heet stoken
van de oven. Als de oven goed heet is
brengt men een stevige laag houtskool
op het brandende hout aan. Tegelijkertijd
maakt men het slakkengat dicht met een
leemprop en begint men zacht aan te blazen
met de blaasbalg. Als de laag houtskool
gloeit wordt de oven verder gevuld met
houtskool, |
| uiteindelijk tot aan de rand. De houtskool
begint geleidelijk aan te gloeien zonder
dat het teveel doorbrandt en instort.
Op de gloeiende houtskoollaag kan nu het
eerste ijzeroer worden aangebracht. Als
de inhoud van de oven voldoende gezakt
is word er opnieuw houtskool en ijzererts
toegevoegd. Na een aantal van die cycli
begint de slak te lopen, het slakkengat
moet nu telkens vrijgemaakt worden zodat
de slak ook daadwerkelijk naar buiten
kan komen. |
|
Het
leeghalen van de oven
Als de oven gestookt is, laat men deze
meestal eerst helemaal afkoelen voordat
de oven opengebroken wordt om te kijken
wat het resultaat is. In de oven vind
je slakresten, niet verbrande houtskool
en als het goed is ook de wolf. Deze wolf
is meestal ook nog enigszins vervuild,
bijvoorbeeld met houts-koolresten. Die
kan de smid eruit krijgen door de wolf
opnieuw te verhitten in een smidsvuur
en te behameren, op die manier komen de
vervuilingen naar de oppervlakte. Het
opnieuw verhitten van de wolf vraagt heel
veel energie, vandaar dat er ook voor
gekozen kan worden de oven open te breken
als deze nog heet is, en de wolf meteen
te verwerken terwijl deze nog gloeit. |
|
|
|
|
|