|
Vuur maken, deel 1 - theoretische achtergrond |
| |
Het
maken van stenen gereedschap en het beheersen
van vuur zijn de belangrijkste ontdekkingen
van de vroege mens geweest. In tegenstelling
tot de aandacht voor het eerste gebruik
van stenen gereedschap branden archeologen
echter liever niet hun handen aan de vraag
wanneer voor het eerst vuur is gebruikt.
Het grootste probleem ligt daarin, dat
vuur als gevolg van natuurlijke verschijnselen
en vuur gemaakt door mensen moeilijk uit
elkaar te houden zijn. Bovendien blijft
van het bewijsmateriaal dat er een vuur
is gemaakt, nadat het vuur eenmaal heeft
gebrand, weinig meer over. Aan het vernietigde
materiaal wordt meestal wel veel aandacht
besteed, omdat het makkelijk herkenbaar
is en soms door het gedeeltelijk verbranden
beter bewaard blijft, zoals bijvoorbeeld
verbrand bot en houtskool.
Vuur
ligt aan de basis van vele technieken,
waarvan de mens in de loop der tijd gebruik
wist te maken. Vuur kunnen maken, gebruiken
en bewaren is dus altijd al van bijzonder
belang voor de menselijke ontwikkeling
geweest. In de loop der tijden is het
gebruik van vuur uitgebreid tot het bereiden
van voedsel (koken, bakken, drogen, het
winnen van zout et cetera), het
geven van licht en warmte,
het bewerken van materialen (hout,
leer, klei, glas, metalen),
het ter beschikking krijgen en vruchtbaar
maken van grond voor landbouw, het verbranden
van lijken en tenslotte als wapen.
In
dit artikel wordt beschreven hoe het vuur
zijn intreden doet aan de hand van archeologische
vondsten. De praktische aspecten zijn
onder andere ‘afgekeken’ van
huidige culturen die deze technieken nog
steeds gebruiken, experimentele archeologie
en levende geschiedenis.
|
| Voor
het eerst vuur. Vuur maken in archeologische
context |
Het
maken van vuur gaat al heel lang terug.
De meeste experts houden
het erop dat het oudste beheersen, misschien
ook zelf maken, van vuur rond 500.000
jaar geleden te vinden is. Het bewijs
bestaat in deze gevallen uit verbrande
stenen en botten. De eerste directe bewijzen,
bijvoorbeeld haarden, vinden we pas bij
de Neanderthalers (150.000-30.000 jaar
geleden). Haarden komen zo regelmatig
bij archeologische vindplaatsen voor,
dat men er zeker van is dat deze mensen
vuur konden maken. Het gebruiken en bewaren
van vuur zónder het zelf te maken
moet al in een veel eerder stadium hebben
plaatsgevonden.
Een
heel oud voorbeeld van het gebruik van
markasiet (zwavelkies) om vuur
te maken, dateert van 10.000 jaar geleden
en is gevonden bij het Belgische Chaleux.
Hier werd in een grot een flinke markasietknol
gevonden met een diepe groef erin die
waarschijnlijk ontstaan is door veelvuldig
gebruik bij het vuur maken. Een andere
vondst is die van tonderzwam en markasietknollen
bij een vindplaats uit de Midden-Steentijd
(8.000 tot 4.000 jaar vóór
Christus). Met de neolithische
vondsten van markasietknollen,
zowel los als geschacht, begint een haast
ononderbroken spoor in de tijd van voorwerpen
die verwijzen naar het maken van vuur.
In de vroege bronstijd (1800-1500 vóór
Christus) zijn er in Noord-Nederland en
Noord-Duitsland een aantal mannen begraven
die naast hun omvangrijke wapenrusting
ook een vuurstenen vuurslag en een stukje
zwavelkies meegekregen hebben. Deze combinatie
maakt het aannemelijk dat de vuursteen
en zwavelkies samen gebruikt zijn om vuur
te maken. In de ijzertijd (700-0 vóór
Christus) kwam de stalen vuurslag in zwang.
Wat betreft vuur maken door middel van
wrijving zou de boormethode als eerste
in aanmerking komen om door prehistorici
geadopteerd te worden.
Tot nog toe zijn van deze methode geen
eenduidige sporen uit Europese, prehistorische,
context teruggevonden. Er is een houten
fragment uit Vinelz in Zwitserland bekend
dat voor "haard"plank doorgaat.
Hier ontbreken in de geschroeide kuiltjes
echter de typerende V-vormige inkepingen,
het zou hier dus ook kunnen gaan om een
drilboor.
Maar
de archeologie ziet niet alles. Van bijvoorbeeld
een vuurboog blijft meestal niets over.
Deze methode, die later ook uitgebreider
beschreven wordt, komt dan ook niet uit
de archeologische literatuur. Aangezien
deze techniek bij vele huidige culturen
bekend is, en bovendien vrij simpel is,
mag verondersteld worden dat hij ook bij
een aantal prehistorische volken bekend
moet zijn geweest. Datzelfde geldt voor
de experimenten die op diverse plaatsen
beschreven zijn. Dit blijven echter slechts
indirecte bewijzen.
Ze geven slechts aan dat er de technische
mogelijkheid bestaat.
|
| Brandstof
– zuurstof - warmte |
| Om
vuur te krijgen, en te houden, zijn er
drie dingen nodig; brandstof, zuurstof,
en warmte. Dit lijkt vrij logisch, en
iedereen heeft ook vast wel eens de ‘branddriehoek’
gezien waarin die drie elementen staan.
Haal je er een weg dat brandt het vuur
slecht, en zal het op den duur uitgaan.
Soms kan gebrek aan het ene element gecompenseerd
worden met een andere. Dit doe je bijvoor-beeld
bij het aanmaken van het vuur: als er
nog weinig warmte is kan er door extra
zuurstof (blazen) gezorgd worden dat bijvoorbeeld
een gloeiend stukje berkenbast ook daadwerkelijk
gaat branden. Als later het vuur eenmaal
brandt, maar het rookt erg, helpt het
ook wel eens als je blaast. Er is dan
vaak tekort aan zuurstof, bijvoorbeeld
doordat je het hout te dicht op elkaar
gestapeld hebt. Een andere oorzaak van
rook kan een teveel aan vochtig hout zijn.
In dit geval is het probleem ook warmte.
Voordat het hout kan gaan branden moet
het meeste water eerst verdampen. Water
verdampt bij 100 graden en hout ontbrandt
pas bij 390 graden. Als je dus teveel
nat hout op een vuur legt, koelt het vuur
te veel af waardoor het onder de ontbrandingstemperatuur
kan komen. Wat
het meest fout gaat is de zuurstoftoevoer,
vaak worden openingen in het vuur die
hiervoor nodig zijn, dicht gelegd met
grote stukken hout. Er kan geen lucht
meer bij, en vervolgens gaat het vuur
roken. Als je blaast gaat het wel weer
beter, maar meteen nadat je gestopt bent
met blazen rookt het weer heel erg. Wat
ook van invloed is op je vuur, is het
soort hout dat je gebruikt. Het grootste
verschil wordt veroorzaakt door de hardheid
van het hout. Harder hout brand langzamer
en daardoor langer, bijvoorbeeld eikenhout.
Als je snel vuur wilt is zacht hout, bijvoorbeeld
naald- of berkenhout, praktisch. |
|
|
| |
| |
"Buckskin"
Russ Sidebottom blaast een vonk aan
(M.A. Zielinska naar
Scurlock 1983) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|