|
|
Vuur maken, deel 2 - de praktijk |
|
| |
| Vuur
maken met behulp van houtwrijving |
Het
basisprincipe van de methode is dat door
verschillende stukken hout langs elkaar
te wrijven hout‘poeder’ ontstaat.
Bij dit proces komt zoveel hitte vrij,
dat het poeder begint te smeulen. Als
er voldoende geblazen wordt, gaat de massa
gloeien. Deze massa doet vervolgens de
tondel gloeien die eronder ligt. Tondel
is een licht ontvlambare stof, speciaal
bedoeld om vuur te maken.
In alle gevallen wordt er gebruik gemaakt
van een zogenaamde haardblok en een tweede
stuk hout. Hoe dit tweede stuk hout gebruikt
wordt verschilt per methode, daarvan zijn
er grofweg drie; zagen, ploegen en boren. |
Zagen
Bij het omzagen van een boom kan de zaag
flink heet worden, zo ook het zaagsel.
Maar als je wilt zagen met de bedoeling
om vuur te maken, moeten
er enkele voorbereidingen getroffen worden.
Het haardblok heeft een bol oppervlak,
net als een gewone tak. Vanonder is hij
echter hol. Nu moet er een groef haaks
op de lengterichting van de haard gemaakt
worden. Deze groef moet vrijwel helemaal
door het blok heen gaan. Het is de bedoeling
dat bij het zagen zelf door
de haard heen gezaagd wordt.
Het zaagsel valt naar beneden op de eronder
gelegen tondel. Het mag echter niet een
te lange weg door de lucht afleggen, omdat
het anders teveel afkoelt. Ook moet de
zaag natuurlijk goed in de haard passen. |
Ploegen
Een afgeleide van het vuur zagen is het
vuur ploegen. Van deze methode zijn totnogtoe
geen sporen in Europese prehistorische
vindplaatsen gevonden.
De haard is bij deze methode van een zachter
soort hout dan de ploeg.
De
ploegvoor wordt ook van tevoren
gemaakt, maar dan in de lengterichting.
Het poeder klontert als het ware samen
aan het einde van de voor, waar het uiteindelijk
begint te gloeien en waar je dus ook de
tondel neerlegt. |
Boren
De laatste van de drie mogelijkheden van
vuur maken door houtwrijving betreft het
boren. Er dient echter opgemerkt te worden
dat er van deze methode talloze variaties
mogelijk zijn. Ook van het boren zijn
nog geen eenduidige sporen uit Europese,
prehistorische context teruggevonden.
Hieronder worden drie varianten besproken. |
| 1 |
De
boor kan rondgedraaid worden door hem
simpelweg tussen
de handen rond te draaien.
Aangezien de boor niet alleen moet ronddraaien
maar er ook druk mee moet worden uitgeoefend
zullen de handen langzaam zakken totdat
ze uiteindelijk op de haard uitkomen.
Dit heeft tot gevolg dat de boor even
stilstaat. Het is belangrijk dit niet
te vaak te laten gebeuren. Om dit te ondervangen
kan de boor zo lang mogelijk gemaakt worden. |
| 2 |
Een
makkelijker manier is om de boor aan te
drijven met
een pees. In dit geval moet
de boor zeker zo'n dertig centimeter lang
zijn, anders heeft de pees niet genoeg
ruimte. Naast het in beweging brengen
van de boor moet hij ook naar
beneden gedrukt worden. Dit
gebeurt meestal met behulp van een tussenstuk
van been, hout of steen met een inkeping.
De boor wordt geklemd tussen de haard
en het tussenstuk. Op dit tussenstuk wordt
druk uitgeoefend met de hand. Dit moet
niet te hard gedaan worden, anders komt
de boor niet op gang, maar ook niet te
zacht, anders vliegt de boor uit het kuiltje.
Een truc is om vooraf een snufje scherp
(en natuurlijk droog) zand in het kuiltje
te strooien, voor meer wrijving. Met de
andere hand wordt de boor gedraaid. Als
men snel genoeg draait, komt het warme
poeder door de inkeping omlaag.
Bij de inkeping die gebruikt wordt legt
men wat tondel om de vonk in op te vangen.
Als tondel wordt bij deze manier van vuur
maken vaak de uitgeplozen "sigaren"
van de lisdodde (Typha latifolia)
gebruikt. Door de hitte zal de tondel
gaan gloeien. Nu kan er gestopt worden
met draaien en kan er vuur van gemaakt
worden. Lukt het niet om op deze manier
vuur te maken, dan moet men meestal lang
wachten voor er weer een poging kan worden
ondernomen aangezien het vreselijk veel
van je krachten vergt. |
| 3 |
Een
derde mogelijkheid is niet met een boog,
maar met een pees en tweepersoonsbediening,
dit vereist wel een langere boor. De werk-verdeling
kan dan bijvoorbeeld als volgt zijn; de
ene persoon drukt op
de boor terwijl de andere de pees bedient.
Beide houden met de voeten één
kant van de haard op zijn plaats. De vuurboor
wordt met twee handen in het kuiltje gedrukt.
Het leren koord is een paar keer om de
boor heen gedraaid en aan de uiteinden
ervan zit een knoop of een stukje hout.
Deze dienen voor meer houvast waardoor
de rotatiesnelheid verhoogd kan worden. |
| Vuur
slaan |
| Er
is nog een tweede groep methodes voor
het vuur maken. Bij deze groep is het
slaan het belangrijkste kenmerk, maar
de twee groepen zijn ook op andere wijzen
van elkaar te onderscheiden. Ten eerste
worden er verschillende materialen gebruikt.
Het gaat bij wrijving alleen om hout,
bij vuur slaan om stenen en metalen. Het
tweede grote verschil is de beweging:
bij vuur slaan wordt, idealiter, met één
slag al een vonk verkregen waar men mee
door kan gaan. In hoofdlijnen zijn er
twee methoden te herkennen. Bij beide
methoden wordt er gebruik gemaakt van
een vuurslag, een aambeeld en tondel,
waarbij vooral de gebruikte materialen
nogal verschillen. De meeste auteurs beschrijven
de "oude" zwavelkiesmethode
op vrijwel gelijke wijze als de "nieuwe"
slagijzermethode. |
|
Verschillende
archeologische voorbeelden
van vuurslagen.
Bron: Müller
(1994) |
|
Stalen
vuurslag
Het vuur maken met behulp van een
slagijzer gaat als volgt: De tondel
(tonderzwam of een verkool lapje)
wordt op de vuursteen gelegd, zodat
de scherpe kant van de vuursteen
en de tondel op elkaar liggen. Hierbij
moet de tondel een klein stukje
van de rand af gelegd worden zodat
straks de steen geraakt wordt en
niet de zwam. Nu houdt men in de
ene hand de vuurslag vast, de gladde
lange zijkant naar buiten.
In de ogen (de uiteinden) van de
vuurslag kan je wijsvinger, duim
en ringvinger houden. In de andere
hand houdt je de vuursteen vast,
zó dat een (scherpe) zijkant
bloot ligt. Men houdt de steen horizontaal,
voornamelijk tussen gestrekte duim
en wijsvinger. Houd nu de hand met
de steen voor je en schamp als het
ware met de vuurslag langs de steen,
liefst over de gehele lengte |
|
| van de vuurslag; het is
niet de bedoeling dat de steen aan stukken
geslagen wordt, maar dat bij het raken
van de steen kleine ijzerdeeltjes van
de vuurslag losraken en verbranden. De
vonken vliegen alle kanten
op en, als het goed is, ook op de zwam.
De vonk brandt zich dan meteen in de zwam
in. Ontstaan er geen vonken, dan kan je
proberen de steen onder een andere hoek
te houden. Deze methode is aantrekkelijker
dan de methode met de vuurboog omdat ze
makkelijk te leren is, weinig energie
kost en voor veel vonken (= veel kansen)
zorgt. Als een poging mislukt, kan er
onmiddellijk opnieuw geslagen worden.
Overigens kan je er ook voor kiezen de
tondel neer te leggen (bijvoorbeeld
op de grond) en de steen er tijdens het
slaan vlak boven te houden. Op die manier
is er ook minder kans dat je de tondel
kapot slaat. |
De
zwavelkiesmethode
Bij deze methode worden er geen vonken
geslagen, het is meer wrijven.
De deeltjes die van de steen afkomen gloeien
niet alleen, ze verbranden meteen door
het hoge gehalte aan ijzer en zwavel.
Om het krijgen van vonken gemakkelijker
te maken kunnen de markasietbrokjes geschacht
worden in gewei. Voorbeelden
hiervan zijn bekend uit Zwitserland.
Wat de tonderzwam betreft: bij deze methode
hoeft hij niet geweekt te worden in allerhande
vloeistoffen, aangezien de afgeslagen
markasietdeeltjes langer branden dan afgeslagen
ijzerdeeltjes. |
| Door
sommige mensen wordt gewag gemaakt van
een simpele variant op deze twee methodes,
namelijk het gebruik van twee stukken
vuursteen. De ene dient dan als aambeeld,
de ander als vuurslag. Anderen noemen
het een mythe. Men zegt dat de vonken
die vrijkomen bij het slaan van steen
op steen lang niet zo'n grote warmtecapaciteit
hebben als de vonken van staal en zeker
lang niet zo groot zijn als bij markasiet. |
|
|
|
|
|