De ijzertijd in Brabant  
Vuur maken, deel 2 - de praktijk  

Dit is het tweede deel van de vierdelige serie over vuur maken, gebaseerd op: "De archeologie van het vuur" (1997), R.P. Paardekooper. Zie ook:
Vuur maken, deel 1 - theoretische achtergrond

Vuur maken, deel 3 - materialen
Vuur maken, deel 4 - de vonk … en dan?

 
Vuur maken met behulp van houtwrijving
Het basisprincipe van de methode is dat door verschillende stukken hout langs elkaar te wrijven hout‘poeder’ ontstaat. Bij dit proces komt zoveel hitte vrij,
dat het poeder begint te smeulen. Als er voldoende geblazen wordt, gaat de massa gloeien. Deze massa doet vervolgens de tondel gloeien die eronder ligt. Tondel is een licht ontvlambare stof, speciaal bedoeld om vuur te maken.
In alle gevallen wordt er gebruik gemaakt van een zogenaamde haardblok en een tweede stuk hout. Hoe dit tweede stuk hout gebruikt wordt verschilt per methode, daarvan zijn er grofweg drie; zagen, ploegen en boren.
 
Zagen
Bij het omzagen van een boom kan de zaag flink heet worden, zo ook het zaagsel. Maar als je wilt zagen met de bedoeling om vuur te maken, moeten
er enkele voorbereidingen getroffen worden. Het haardblok heeft een bol oppervlak, net als een gewone tak. Vanonder is hij echter hol. Nu moet er een groef haaks op de lengterichting van de haard gemaakt worden. Deze groef moet vrijwel helemaal door het blok heen gaan. Het is de bedoeling dat bij het zagen zelf door de haard heen gezaagd wordt. Het zaagsel valt naar beneden op de eronder gelegen tondel. Het mag echter niet een te lange weg door de lucht afleggen, omdat het anders teveel afkoelt. Ook moet de zaag natuurlijk goed in de haard passen.
Ploegen
Een afgeleide van het vuur zagen is het vuur ploegen. Van deze methode zijn totnogtoe geen sporen in Europese prehistorische vindplaatsen gevonden.
De haard is bij deze methode van een zachter soort hout dan de ploeg.
De ploegvoor wordt ook van tevoren gemaakt, maar dan in de lengterichting. Het poeder klontert als het ware samen aan het einde van de voor, waar het uiteindelijk begint te gloeien en waar je dus ook de tondel neerlegt.
Boren
De laatste van de drie mogelijkheden van vuur maken door houtwrijving betreft het boren. Er dient echter opgemerkt te worden dat er van deze methode talloze variaties mogelijk zijn. Ook van het boren zijn nog geen eenduidige sporen uit Europese, prehistorische context teruggevonden. Hieronder worden drie varianten besproken.
1 De boor kan rondgedraaid worden door hem simpelweg tussen de handen rond te draaien. Aangezien de boor niet alleen moet ronddraaien maar er ook druk mee moet worden uitgeoefend zullen de handen langzaam zakken totdat ze uiteindelijk op de haard uitkomen. Dit heeft tot gevolg dat de boor even stilstaat. Het is belangrijk dit niet te vaak te laten gebeuren. Om dit te ondervangen kan de boor zo lang mogelijk gemaakt worden.
2 Een makkelijker manier is om de boor aan te drijven met een pees. In dit geval moet de boor zeker zo'n dertig centimeter lang zijn, anders heeft de pees niet genoeg ruimte. Naast het in beweging brengen van de boor moet hij ook naar beneden gedrukt worden. Dit gebeurt meestal met behulp van een tussenstuk van been, hout of steen met een inkeping. De boor wordt geklemd tussen de haard en het tussenstuk. Op dit tussenstuk wordt druk uitgeoefend met de hand. Dit moet niet te hard gedaan worden, anders komt de boor niet op gang, maar ook niet te zacht, anders vliegt de boor uit het kuiltje. Een truc is om vooraf een snufje scherp (en natuurlijk droog) zand in het kuiltje te strooien, voor meer wrijving. Met de andere hand wordt de boor gedraaid. Als men snel genoeg draait, komt het warme poeder door de inkeping omlaag. Bij de inkeping die gebruikt wordt legt men wat tondel om de vonk in op te vangen. Als tondel wordt bij deze manier van vuur maken vaak de uitgeplozen "sigaren" van de lisdodde (Typha latifolia) gebruikt. Door de hitte zal de tondel gaan gloeien. Nu kan er gestopt worden met draaien en kan er vuur van gemaakt worden. Lukt het niet om op deze manier vuur te maken, dan moet men meestal lang wachten voor er weer een poging kan worden ondernomen aangezien het vreselijk veel van je krachten vergt.
3 Een derde mogelijkheid is niet met een boog, maar met een pees en tweepersoonsbediening, dit vereist wel een langere boor. De werk-verdeling kan dan bijvoorbeeld als volgt zijn; de ene persoon drukt op
de boor terwijl de andere de pees bedient. Beide houden met de voeten één kant van de haard op zijn plaats. De vuurboor wordt met twee handen in het kuiltje gedrukt. Het leren koord is een paar keer om de boor heen gedraaid en aan de uiteinden ervan zit een knoop of een stukje hout. Deze dienen voor meer houvast waardoor de rotatiesnelheid verhoogd kan worden.

Vuur slaan
Er is nog een tweede groep methodes voor het vuur maken. Bij deze groep is het slaan het belangrijkste kenmerk, maar de twee groepen zijn ook op andere wijzen van elkaar te onderscheiden. Ten eerste worden er verschillende materialen gebruikt. Het gaat bij wrijving alleen om hout, bij vuur slaan om stenen en metalen. Het tweede grote verschil is de beweging: bij vuur slaan wordt, idealiter, met één slag al een vonk verkregen waar men mee door kan gaan. In hoofdlijnen zijn er twee methoden te herkennen. Bij beide methoden wordt er gebruik gemaakt van een vuurslag, een aambeeld en tondel, waarbij vooral de gebruikte materialen nogal verschillen. De meeste auteurs beschrijven de "oude" zwavelkiesmethode op vrijwel gelijke wijze als de "nieuwe" slagijzermethode. 
Verschillende archeologische voorbeelden van vuurslagen.
Verschillende archeologische voorbeelden van vuurslagen.
Bron: Müller (1994)
Stalen vuurslag
Het vuur maken met behulp van een slagijzer gaat als volgt: De tondel (tonderzwam of een verkool lapje) wordt op de vuursteen gelegd, zodat de scherpe kant van de vuursteen en de tondel op elkaar liggen. Hierbij moet de tondel een klein stukje van de rand af gelegd worden zodat straks de steen geraakt wordt en niet de zwam. Nu houdt men in de ene hand de vuurslag vast, de gladde lange zijkant naar buiten.
In de ogen (de uiteinden) van de vuurslag kan je wijsvinger, duim en ringvinger houden. In de andere hand houdt je de vuursteen vast, zó dat een (scherpe) zijkant bloot ligt. Men houdt de steen horizontaal, voornamelijk tussen gestrekte duim en wijsvinger. Houd nu de hand met de steen voor je en schamp als het ware met de vuurslag langs de steen, liefst over de gehele lengte
van de vuurslag; het is niet de bedoeling dat de steen aan stukken geslagen wordt, maar dat bij het raken van de steen kleine ijzerdeeltjes van de vuurslag losraken en verbranden. De vonken vliegen alle kanten op en, als het goed is, ook op de zwam. De vonk brandt zich dan meteen in de zwam in. Ontstaan er geen vonken, dan kan je proberen de steen onder een andere hoek te houden. Deze methode is aantrekkelijker dan de methode met de vuurboog omdat ze makkelijk te leren is, weinig energie kost en voor veel vonken (= veel kansen) zorgt. Als een poging mislukt, kan er onmiddellijk opnieuw geslagen worden. Overigens kan je er ook voor kiezen de tondel neer te leggen (bijvoorbeeld op de grond) en de steen er tijdens het slaan vlak boven te houden. Op die manier is er ook minder kans dat je de tondel kapot slaat.
De zwavelkiesmethode
Bij deze methode worden er geen vonken geslagen, het is meer wrijven.
De deeltjes die van de steen afkomen gloeien niet alleen, ze verbranden meteen door het hoge gehalte aan ijzer en zwavel. Om het krijgen van vonken gemakkelijker te maken kunnen de markasietbrokjes geschacht worden in gewei. Voorbeelden hiervan zijn bekend uit Zwitserland. Wat de tonderzwam betreft: bij deze methode hoeft hij niet geweekt te worden in allerhande vloeistoffen, aangezien de afgeslagen markasietdeeltjes langer branden dan afgeslagen ijzerdeeltjes.
Door sommige mensen wordt gewag gemaakt van een simpele variant op deze twee methodes, namelijk het gebruik van twee stukken vuursteen. De ene dient dan als aambeeld, de ander als vuurslag. Anderen noemen het een mythe. Men zegt dat de vonken die vrijkomen bij het slaan van steen op steen lang niet zo'n grote warmtecapaciteit hebben als de vonken van staal en zeker lang niet zo groot zijn als bij markasiet.
 
 
Vuur zagen; Hough (1892). (klik voor een uitvergroting)
Vuur ploeg uit Oceanië; Harrison (1975). (klik voor een uitvergroting)
Vuur boren met vuurboog. (klik voor een uitvergroting)
Boliviaanse vuurboorder; Harrison (1975). (klik voor een uitvergroting)
Het draaien van de pees (met boog) om de vuurboog; Collina-Girard (1993). (klik voor een uitvergroting)
Positie van de gloed na het stoppen met boren; Collina-Girard (1993). (klik voor een uitvergroting)
Vonken slaan ... (klik voor een uitvergroting)
de vonk ... (klik voor een uitvergroting)
Je kan er ook voor kiezen de tondel neer te leggen en de steen er tijdens het slaan vlak boven te houden. (klik voor een uitvergroting)
Je kan er ook voor kiezen de tondel neer te leggen en de steen er tijdens het slaan vlak boven te houden. (klik voor een uitvergroting)
Voorbeelden van markasiet, gevat in gewei; naar Nieszery (1992). (klik voor een uitvergroting)
Vuur maken met markasiet; Collina-Girard (1993). (klik voor een uitvergroting)