|
|
Vuur maken, deel 4 - de vonk … en
dan? |
|
| |
Gloeit
er eenmaal wat tondel, lisdodde, tonderzwam
of iets anders, dan moet er meteen geblazen
worden. Bij het aanblazen van vuur (vonk,
kooltje of vlammen) geldt altijd: blaas vooral gelijkmatig en van zo
laag mogelijk.
Dit laatste heeft twee redenen: zo krijgt
de blazer geen rook in de ogen en longen
en wordt de natuurlijke luchtstroom die
een vuur opwekt versterkt. Warme lucht,
en dus ook de rook, stijgt op, je bevordert
zo de natuurlijke trek. Het gelijkmatige
blazen heeft nog een voordeel: het kan
lang volgehouden worden zonder dat je
er hoofdpijn
van krijgt. Heel
snel zal de vonk groter worden. Is de
vonk gegroeid tot een kooltje, dan kan
er overgestapt worden op een ander materiaal.
Hiervoor wordt er vaak gebruik gemaakt
van een dun vel berkenbast.
Het gloeiende materiaal wordt op dit vel
gelegd dat daarna opgerold
wordt tot een soort sigaret.
Vervolgens wordt er door
het tuitje geblazen totdat
het vel berkenbast ontvlamt. Als beste
aanmaakmateriaal geldt brandnetelvezel.
Ook kan er vlas gebruikt worden, dat op
dezelfde manier voorbewerkt dient te worden.
Het oogsten van de "oudere"
brandnetels geschiedt bij voorkeur in
de herfst of winter. Nadat ze gedroogd
zijn, moeten ze geplet worden met een
steen of een houten hamer. Hierbij worden
automatisch de bladeren en de te dunne
zijtakjes, die niet de benodigde vezels
bevatten, verwijderd. Daarnaast worden
de stengels gebroken, waardoor de witte
binnenkant bloot komt te liggen en de
vezels meer oppervlak krijgen. De zo ontstane
strootjes branden zeer goed. Tenslotte
is het mogelijk touw van plantaardige
grondstoffen te gebruiken, bijvoorbeeld
van lindebast.
De smeulende tondel wordt tussen de vezels
geduwd en ertussen vastgeklemd. Als men
nu blijft blazen, wordt het langzaam duidelijk
dat meer van de uiteinden van de vezels
beginnen te gloeien. Zorg dat de vonk
niet verstikt en het aanmaakmateriaal
ook niet weggeblazen wordt. Als kleine
vlammen zich vertonen, kan er overgeschakeld
worden op berkenbast of houtsnippers en -spaanders. Daarna kan je doorgaan
met twijgjes, stokjes
en steeds grotere stukken hout.
|
| Het
opbouwen van het vuur |
| Je
kan op verschillende manieren een vuur
opbouwen. Een veel gebruikte methode is
het er op willekeurige wijze bovenop gooien
van takken. Maar dit leid vaak tot een
rokerig vuur, je kan dus beter een andere
strategie toepassen. Elke opbouw van een
vuur heeft zo z’n voordelen, hieronder
een aantal vuren en waar je ze het best
voor kunt gebruiken. |
|
Stervuur
Uitermate geschikt als kookvuur,
bijvoorbeeld om de hele dag rustig
te branden, het is een zuinige manier
van stoken. Op de foto wordt gestookt
met dunne berkenstammetjes, doorgaans
worden er voor dit soort vuur echter
grotere stukken hout gebruikt die
je langzaam steeds verder in het
vuur schuift. Het stoken met groter
hout scheelt meteen veel hak en
zaagwerk, handig dus. |
|
|
Pagode
vuur
Een dergelijk opgebouwd vuur geeft,
zeker in het begin, veel vlammen
en ook veel licht. Door de luchtige
opbouw kan er veel lucht bij, dit
zorgt weer voor een snelle verbranding;
uitermate geschikt om snel veel
gloeiende kooltjes te krijgen. Hierdoor
verbruik je echter ook veel hout.
In dit geval is het een kleine pagode,
maar kan ook groter uitpakken, bijvoorbeeld
met meterhout. |
|
|
|
|
|
|