De ijzertijd in Brabant  
Vuur maken, deel 4 - de vonk … en dan?  

Dit is het vierde deel van de vierdelige serie over vuur maken, gebaseerd op: "De archeologie van het vuur" (1997), R.P. Paardekooper. Zie ook:
Vuur maken, deel 1 - theoretische achtergrond
Vuur maken, deel 2 - de praktijk
Vuur maken, deel 3 - materialen

 
Gloeit er eenmaal wat tondel, lisdodde, tonderzwam of iets anders, dan moet er meteen geblazen worden. Bij het aanblazen van vuur (vonk, kooltje of vlammen) geldt altijd: blaas vooral gelijkmatig en van zo laag mogelijk.
Dit laatste heeft twee redenen: zo krijgt de blazer geen rook in de ogen en longen en wordt de natuurlijke luchtstroom die een vuur opwekt versterkt. Warme lucht, en dus ook de rook, stijgt op, je bevordert zo de natuurlijke trek. Het gelijkmatige blazen heeft nog een voordeel: het kan lang volgehouden worden zonder dat je er
hoofdpijn van krijgt.
Heel snel zal de vonk groter worden. Is de vonk gegroeid tot een kooltje, dan kan er overgestapt worden op een ander materiaal. Hiervoor wordt er vaak gebruik gemaakt van een dun vel berkenbast. Het gloeiende materiaal wordt op dit vel gelegd dat daarna opgerold wordt tot een soort sigaret. Vervolgens wordt er door het tuitje geblazen totdat het vel berkenbast ontvlamt. Als beste aanmaakmateriaal geldt brandnetelvezel. Ook kan er vlas gebruikt worden, dat op dezelfde manier voorbewerkt dient te worden. Het oogsten van de "oudere" brandnetels geschiedt bij voorkeur in de herfst of winter. Nadat ze gedroogd zijn, moeten ze geplet worden met een steen of een houten hamer. Hierbij worden automatisch de bladeren en de te dunne zijtakjes, die niet de benodigde vezels bevatten, verwijderd. Daarnaast worden de stengels gebroken, waardoor de witte binnenkant bloot komt te liggen en de vezels meer oppervlak krijgen. De zo ontstane strootjes branden zeer goed. Tenslotte is het mogelijk touw van plantaardige grondstoffen te gebruiken, bijvoorbeeld van lindebast.
De smeulende tondel wordt tussen de vezels geduwd en ertussen vastgeklemd. Als men nu blijft blazen, wordt het langzaam duidelijk dat meer van de uiteinden van de vezels beginnen te gloeien. Zorg dat de vonk niet verstikt en het aanmaakmateriaal ook niet weggeblazen wordt. Als kleine vlammen zich vertonen, kan er overgeschakeld worden op berkenbast of houtsnippers en -spaanders. Daarna kan je doorgaan met twijgjes, stokjes
en steeds grotere stukken hout.

   
Het opbouwen van het vuur
Je kan op verschillende manieren een vuur opbouwen. Een veel gebruikte methode is het er op willekeurige wijze bovenop gooien van takken. Maar dit leid vaak tot een rokerig vuur, je kan dus beter een andere strategie toepassen. Elke opbouw van een vuur heeft zo z’n voordelen, hieronder een aantal vuren en waar je ze het best voor kunt gebruiken.
Stervuur
Stervuur
Uitermate geschikt als kookvuur, bijvoorbeeld om de hele dag rustig te branden, het is een zuinige manier van stoken. Op de foto wordt gestookt met dunne berkenstammetjes, doorgaans worden er voor dit soort vuur echter grotere stukken hout gebruikt die je langzaam steeds verder in het vuur schuift. Het stoken met groter hout scheelt meteen veel hak en zaagwerk, handig dus.
Pagode vuur
Pagode vuur
Een dergelijk opgebouwd vuur geeft, zeker in het begin, veel vlammen en ook veel licht. Door de luchtige opbouw kan er veel lucht bij, dit zorgt weer voor een snelle verbranding; uitermate geschikt om snel veel gloeiende kooltjes te krijgen. Hierdoor verbruik je echter ook veel hout. In dit geval is het een kleine pagode, maar kan ook groter uitpakken, bijvoorbeeld met meterhout.
 
 
berkenbast (klik voor een uitvergroting)
Gloeit er eenmaal wat tondel ... (klik voor een uitvergroting)
... dan moet er meteen geblazen worden ... (klik voor een uitvergroting)
... houtsnippers erbij ... (klik voor een uitvergroting)
... en blazen. (klik voor een uitvergroting)