Tot aan de ijzertijd  
Landschap
Het hedendaagse landschap wordt voornamelijk gekarakteriseerd door allerlei kunstmatige en bovenal grootschalige ingrepen. Echter, tot slechts enkele eeuwen geleden heeft het natuurlijke landschap in het leven en handelen van de mens een fundamentele rol gespeeld. Dankzij geologische, bodemkundige en topografische gegevens is het nog mogelijk het oorspronkelijke landschap te reconstrueren. Deze reconstructie is beperkt tot het reliëf en de aard van de bodem. Klik hier voor een kaart met de landschappelijke veranderingen tussen het eind van de ijstijd en 1000 vóór Christus.

De bodem van Eindhoven
Het oorspronkelijke landschap van Eindhoven is het gevolg van geologische processen die enkele miljoenen jaren hebben geduurd. Het karakter van het landschap is echter vanaf het laatste deel van de jongste ijstijd ontstaan.
In die ijstijd maakte het grondgebied deel uit van een arctische poolwoestijn, met nauwelijks begroeiing, waar de overheersend zuidwestelijke wind enorme hoeveelheden zand kon meevoeren en afzetten. Dit zogenaamde dekzand is niet alleen in de vorm van een dek afgezet, maar ook in de vorm van langwerpige en relatief hoge ruggen: de dekzandruggen. Na het dooien van
de tijdens de ijstijden permanent bevroren ondergrond en door de stijging van de grondwaterspiegel hebben zich in de ondiepe laagten vennen gevormd.
Met het einde van de voorlopig laatste ijstijd, ongeveer 8.000 vóór Christus, begon het Holoceen, de geologische periode waarin we nu nog steeds in leven. In het begin raakte het gebied begroeid met steeds dichter vegetatiedek.
De afzetting van dekzand is daardoor gestopt. Ongeveer 2.000 vóór Christus ontstonden de later zo uitgestrekte heidevelden.
Eigenlijk is Eindhoven net als andere delen van de Kempen een van oorsprong relatief reliëfrijk gebied.
Dit wordt vooral bepaald door het voorkomen van dekzandruggen, stuifzandgebieden en beekdalen.

De oorspronkelijke waterhuishouding
Tot 1900 kende Eindhoven een aantal beken. Deze hebben van oudsher de afwatering verzorgd van overtollig water. Dit werd afgevoerd via de rivier Dommel en de beken de Ekkersrijt, de Groote Beek, de Tongelreep en de Kleine Dommel. De riviertjes en beken stromen door dalen waarin zich zogenaamde beekafzettingen hebben gevormd: plaatselijk enorm dikke veenpakketten.
Door kanalisatie hebben de beken grotendeels hun natuurlijke meanderende loop verloren. Ze hebben nog één functie: het zo snel mogelijk afvoeren van water. Andere natuurlijke oppervlaktewateren zijn de oorspronkelijke heidevennen. Deze zijn net als de kleinere beken nagenoeg verdwenen door ontginningen en stadsuit-breidingen.
De natuurlijke ondergrond van Eindhoven TIP: Zoom in door met de rechterknop ZOOM IN te kiezen, beweeg daarna met het handje door de kaart.

Fossiele botten van dieren
In Eindhoven worden nu nog steeds regelmatig overblijfselen van prehistorische dieren gevonden: mammoet, wolharige neushoorn, steppewisent, oerrund, rendier en edelhert. In geen enkel geval zijn daar voorwerpen van mensen bij gevonden, of sporen ervan: de dieren zijn dus een natuurlijke dood gestorven. Ze dateren uit de jongste ijstijd en op het edelhert na betreft het dieren die in deze streken zo’n 8.000 vóór Christus zijn uitgestorven.

 
Landschap
Reconstructie van de neolithische nederzetting te Molenaarsgraaf.
Doorsnede door de opvulling van een oude poel bij Usselo. Hier in is de hele geschiedenis af te lezen.
 
In grotten, zoals in de Dordogne in Frankrijk, zijn afbeeldingen gevonden zoals deze mammoet en neushoorn. Hiermeekrijgen wij een beeld van de dieren van het einde van de ijstijd. Ernaast een schedel van een jonge mammoet uit Nederland.
De landschappelijke veranderingen tussen het eind van de ijstijd en 1000 vóór Christus. (Klik voor een uitvergroting.)