De middeleeuwse wolbewerking in een aantal stappen door Toon Reurink
1e stap - Voorbereidingen voor weven
Als een schaap geschoren is, wordt de wol uit de vacht gesorteerd.
De schouderwol is de beste (1e) kwaliteit ,
de flanken achter de schouders geeft de 2e kwaliteit.
De 3e kwaliteit komt van een smalle strook op de rug;
rond de nek geeft de 4e
kwaliteit.
Poten en buik is echt de slechtste 5e kwaliteit.
Rond de aars zit wol die ook wel brandwol wordt genoemd, wol die veel met urine en mest in contact komt. Deze wol, verkleurd (geel)- broos- hard, is nauwelijks nog te gebruiken.
Na het sorteren wordt de wol gewassen al het zweet, vuil en wolvet wordt daardoor verwijderd. Eerst wordt de wol, in ruim (zacht) water, geweekt en dan goed gespoeld, veel vuil zal nu verwijderd zijn. Vervolgens wordt de wol (op rekken) luchtig en -uit de zon te drogen gehangen. Als de wol droog is wordt de wol geslagen met boog of Spaanse riet (vlaken). Een zuiveringspraktijk nog
steeds wijd verspreid in Centraal-Azië en het Midden-Oosten. In de middeleeuwen was dit vooral mannenwerk. De wol wordt zolang geslagen op een open rek (vlaakbank), dat het volume 4x zo groot is geworden. Door dit slaan verliest de wol de korte pluisjes, het achter gebleven zand en andere, zoals b.v. strootjes. De nu behoorlijke losse wol wordt nagekeken en de vervilte stukjes alsnog los getrokken (pluizen). Vuiltjes en slechte stukken verwijdert.
Als de wol niet vet genoeg is wordt daar nu wat aan gedaan. Om de wol te beschermen tegen beschadigen door latere bewerkingen moet ze ingevet worden, ook wel smouten genoemd. Schrobbelen is een bewerking die op kaarden lijkt maar dan wordt uitgevoerd met gereedschap dat met veel grovere tanden bezet is. Deze bewerking wordt alleen toegepast als de vacht vervilt is.