De middeleeuwen in Brabant  

De middeleeuwse wolbewerking in een aantal stappen
door Toon Reurink

4e stap - Spinnen terug volgende

Het spinnen blijkt bijna uitsluitend door vrouwen te zijn verricht. De eigenschappen van een schering en inslagdraad zijn in een weefselstructuur verschillend. Met een spinspoel, een stokje met een vliegwiel, worden de losse vezels in elkaar gedraaid tot garen. De spinster laat met de ene hand de spoel draaien en voert met de andere hand de vezels aan om garen van gelijke dikte te spinnen. Een stevig gedraaide draad geeft een vast en elastisch garen dat geschikt is als kettingdraad. Daar deze op het weefgetouw onderhevig is aan mechanische spanning en wrijving moet de kettingdraad sterker zijn dan de inslagdraad. De schering bestond dan ook meestal uit dichter gesponnen draad of uit twee of meer samen gedraaide draden. Er kan naar links (S) of naar rechts (Z) gesponnen worden. Een weefsel met schering van Z draden en een inslag van S draden blijft stabiel.

Spinnen met de hangende spindel en spinrokken.
Uit een Bossche ordonnantie van 1503 blijkt dat voor de waerp een bepaald garennummer gesponnen dient te worden, voor wol was het gebruikelijk dat het garennummer het verband aangaf tussen gewicht en lengte-eenheid. Het spinnen moest nauwkeurig geschieden want de toegestane afwijkingen waren zeer gering. Kaarden van dezelfde partij wol werd pas gedaan als het kettinggaren gesponnen was. Bij het spinnen met de spinspoel (tol/hangende spil) moet er regelmatig gestopt worden om het gesponnen garen op de spoel op te winden.

Dit was ook het geval met de eerste spinnewielen (Grootwiel). Deze eerste toestellen werden in de 13de en 14de eeuw niet echt vertrouwd. Het waren grote hand aangedreven wielen die waarschijnlijk geïnspireerd waren door de wielen die gebruikt werden om inslagspoelen op te winden. Enkel garen bestemd voor de inslag mocht toen met het wiel gesponnen worden Het spinnewiel met pedaal, dat het gelijktijdig spinnen en opwinden van de draad mogelijk maakt, verscheen in Vlaanderen pas in de 15de eeuw. De gesponnen draad werd in strengen van afgesproken maat en gewicht gewonden. Soms werd er garen van mindere kwaliteit binnen in de streng gewonden, bedrog was de middeleeuwer niet vreemd. Voor waerp werd er altijd met lontwol en de hangende spil gesponnen. Wevel werd gesponnen uit de gekaarde wol en met hangende spil en pas in de late middeleeuwen (eind 1400) met het grootwiel. Hoe er gesponnen werd in de middeleeuwen bepaalde de Gilden.

Als de schering gemaakt was dan werd deze eerst gelijmd. Lijm werd gemaakt van slachtafval (gelatine). Het lijmen was nodig om de scheringdraad sterk genoeg te maken tegen de slijtage op het weefgetouw.
 
Een spinnende medewerkster van het museum. (klik voor een uitvergroting)
Het kaarden van wol. Naar het Luttrell Psalter, ca 1338, British Museum (Pavon 1972, 202). (klik voor een uitvergroting)
Isaac Claesz. Van Swanenburg, Leiden 1537-1614 Leiden
Het spinnen; 1594-1596. (klik voor een uitvergroting)
Lijmen van de schering.  (klik voor een uitvergroting)